De memorie van toelichting in gewone taal
De memorie van toelichting legt uit waarom de Spreidingswet er kwam en wat ze wil bereiken. Hieronder vatten we die uitleg per onderdeel samen in eenvoudige taal.
Dit is een samenvatting in gewone taal en geen officiële tekst. De volledige, officiële toelichting leest u op Memorie van toelichting. De wet artikel voor artikel uitgelegd staat op In gewone taal.
Waarom kwam deze wet er?
Nederland moet asielzoekers opvang bieden; dat volgt uit internationale en Europese afspraken. Het Rijk is daarvoor verantwoordelijk en laat de opvang uitvoeren door het COA. Maar gemeenten hádden geen wettelijke plicht om mee te helpen. Het COA was dus afhankelijk van gemeenten die vrijwillig meewerkten. Daardoor deden sommige gemeenten veel en andere weinig.
In 2021 en 2022 liep de opvang vast: er waren te weinig plekken en er moest steeds noodopvang en crisisnoodopvang worden geregeld. Die is duur, van korte duur en onzeker. Het kabinet riep de situatie in juni 2022 zelfs uit tot nationale crisis. De conclusie: gemeenten moeten een wettelijke taak krijgen, en de opvang moet eerlijker over het land worden verdeeld.
Wat wil de wet bereiken?
De wet wil een stabiel en flexibel opvangstelsel. Stabiel betekent: genoeg vaste plekken, zodat er niet steeds in paniek noodopvang nodig is. Flexibel betekent: kunnen meebewegen als het aantal asielzoekers stijgt of daalt. Daarom wordt gewerkt met een «vaste voorraad»: locaties die voor vijf jaar of langer beschikbaar zijn.
Belangrijke uitgangspunten zijn: solidariteit tussen gemeenten, een eerlijke spreiding, opvangplekken zoveel mogelijk vrijwillig laten aanbieden, en crisisnoodopvang zoveel mogelijk voorkomen. Gemeenten die vrijwillig duurzame plekken maken, krijgen daarvoor een financiële vergoeding.
Hoe is de wet tot stand gekomen?
Het kabinet maakte in 2022 afspraken met de gemeenten (VNG), de provincies (IPO) en het Veiligheidsberaad. Een van die afspraken was een wettelijke taak voor gemeenten. Er werd gekozen voor een systeem waarin het Rijk bepaalt hoeveel plekken nodig zijn, en waarin gemeenten en provincies samen de verdeling maken. Pas als dat niet lukt, beslist de minister.
Hoe werkt het systeem?
Kort gezegd: de minister bepaalt elke twee jaar hoeveel opvangplekken nodig zijn. Dat aantal wordt verdeeld over de provincies en — als richtgetal — over de gemeenten, op basis van inwoneraantal en welvaart. Aan de provinciale regietafels proberen gemeenten, provincie en COA er samen uit te komen. Lukt dat niet, dan legt de minister de verdeling vast in een verdeelbesluit.
De stappen in detail staan op Hoe werkt het.
De verhouding tussen Rijk en gemeenten
Gemeenten krijgen de taak in «medebewind»: het Rijk legt de taak op, maar gemeenten houden ruimte om zelf te bepalen hóe ze die uitvoeren — bijvoorbeeld welke locatie ze aanbieden. De wet schrijft het resultaat voor, niet elke stap.
Andere wetten en internationaal recht
De wet sluit aan op bestaande regels, zoals de Wet COA, de Gemeentewet en het omgevingsrecht (vergunningen en bestemmingsplannen). Ook past de wet binnen de internationale en Europese plicht om asielzoekers fatsoenlijke opvang te bieden.
Wat kost het?
Het Rijk betaalt de opvang en geeft gemeenten en provincies vergoedingen (specifieke uitkeringen) voor de plekken die zij mogelijk maken. Gemeenten die meer doen dan hun aandeel, kunnen een extra beloning krijgen. De precieze bedragen worden per periode vastgesteld. De details staan in de regeling specifieke uitkeringen.
Wat vonden anderen ervan?
Het wetsvoorstel is voorgelegd aan betrokken organisaties en aan iedereen via een internetconsultatie. De reacties zijn gebruikt om het voorstel te verbeteren. De volledige bespreking daarvan staat in de officiële toelichting.
Wilt u de details? Lees de volledige memorie van toelichting of de wet artikel voor artikel in gewone taal.