Artikel 1. Definitiebepaling
In deze regeling wordt verstaan onder:
- – uitkering: een specifieke uitkering, als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet.
De regeling die bepaalt hoe gemeenten en provincies geld (specifieke uitkeringen) krijgen voor het mogelijk maken van opvangplekken.
Deze regeling gaat over het geld: de specifieke uitkeringen waarmee het Rijk gemeenten en provincies betaalt die opvangplekken mogelijk maken. Ze regelt onder andere:
Hieronder staat de volledige, officiële tekst van de regeling (bron: wetten.overheid.nl, BWBR0049320). Liever eerst de hoofdlijnen? Zie De wet of de uitleg in gewone taal.
Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 29 januari 2024, nummer 5190221, houdende specifieke uitkeringen voor gemeenten en provincies die het mogelijk maken asielzoekers op te vangen (Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen)
Gelet op de artikelen 9, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, 13, vierde lid, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen en de artikelen 2.1, eerste lid, en 3.2, van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen;
In deze regeling wordt verstaan onder:
De in artikel 2.1 van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen bedoelde capaciteitsraming gaat uit van de verwachte behoefte aan opvangplaatsen voor asielzoekers op 1 januari in het opvolgende jaar.
Voor opvangplaatsen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, en derde lid van de wet verstrekt Onze Minister aan de gemeente onderscheidenlijk de provincie en de gemeente ambtshalve een uitkering.
Voor duurzame opvangplaatsen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de wet verstrekt Onze Minister een uitkering op aanvraag van het college van de betreffende gemeente.
De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend door gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar gesteld elektronisch aanvraagformulier.
De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend uiterlijk voor het begin van een nieuwe wetscyclus.
De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, bevat ten minste:
De uitkering, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt per opvangplaats van bijzondere aard € 2.000.
De uitkering, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt per duurzame opvangplaats € 2.000 indien tenminste 100 opvangplaatsen worden ingediend en € 1.000 indien minder dan 100 opvangplaatsen worden ingediend.
De uitkering, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet bedraagt per opvangplaats € 1.500.
De uitkering, bedoeld in het derde lid, wordt volgens een vaste verdeling van 15% voor de provincie en 85% voor de gemeenten verstrekt. Deze uitkering wordt tussen de gemeenten verdeeld naar rato van het aantal opvangplaatsen dat geboden is en het aantal maanden waarvoor deze opvangplaatsen beschikbaar zijn gesteld.
De uitkeringen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, worden verstrekt:
De uitkering, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet, wordt verstrekt indien wordt voldaan aan de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde voorwaarden.
De uitkeringen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet worden verstrekt in de eerstvolgende maand juni of november nadat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, is voldaan.
De uitkering bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet wordt verstrekt in de eerstvolgende maand juni of november na ommekomst van de periode van twee jaar, bedoeld in artikel 2 van de wet.
De gemeenten en de provincies leggen uiterlijk op 15 juli van het kalenderjaar volgend op het laatste van de twee kalenderjaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, verantwoording af over de voorwaarden waaronder de uitkering wordt verstrekt op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Onze Minister stelt de uitkering vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 7, is ontvangen.
De uitkering kan worden teruggevorderd indien en voor zover na de beschikbaarstelling van de opvangplaatsen blijkt dat niet is voldaan aan de vereisten voor het ontvangen van de uitkering.
Op de uitkering, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, zijn de artikelen 4, tweede lid, en 7 tot en met 9 van overeenkomstige toepassing.
Deze regeling treedt in werking op 1 februari 2024.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
E. van der Burg